Sédyksters: haring- en palingvisser Jacob Schotanus

By |Published On: 23 maart 2026|

Begin 2022 stond ik op de zeedijk bij Koehool om uit te waaien. Door de stevige wind dreven prachtige wolkenpartijen over land en zee. Al lopend over de kruin van de dijk richting Oosterbierum dacht ik aan de vele woningen die vroeger in een lint van Dykshoek tot Harlingen langs de zeedijk stonden. Het zijn er meer dan honderd geweest. Kleine huisjes met soms een aangebouwd schuurgedeelte, maar ook enkele kleine stelpachtige boerderijen. Ik weet nog dat ze er stonden in de jaren zestig van de vorige eeuw. In die tijd waren door de veranderende omstandigheden al een flink aantal huisjes in verval geraakt of waren in gebruik genomen als recreatie woning.

Die veranderende omstandigheden hadden vooral te maken met de teloorgang van de kustvisserij waar vele Sédyksters – zoals de bevolking langs de zeedijk werd genoemd – in vroegere tijden deels hun inkomen mee verdiende. Maar ook de in 1958 van kracht geworden Deltawet had voor de bewoning langs de zeedijk rigoureuze gevolgen. Die wet was gericht op de afsluiting van de zeearmen tussen de Westerschelde en de Nieuwe Waterweg en de versterking van de hoogwaterkering ter beveiliging van Nederland tegen stormvloeden. Daardoor moest ook de zeedijk tussen Dykshoek en Harlingen worden opgehoogd. Maar ophoging betekende ook verbreding van de zeedijk en daarom moesten bijna alle woningen en hokken worden gesloopt om ruimte te maken. Alleen de woningen op Koehool konden blijven staan en het gemaal Roptazijl met bedrijfswoning c.a. werd tijdens de dijkverzwaring opnieuw gebouwd.

De mannelijke Sédyksters waren boerenarbeider, steenzetter of werkman bij het waterschap om de houten palenrijen buitendijks te onderhouden. In de maanden februari tot en met mei waren er ook veel van deze mannen die zich een inkomen probeerden te verschaffen uit de haringvisserij. Met relatief kleine open roeiboten gingen zij enkele honderden meters uit de kust waar zij hun fuiken in zogenaamde regels hadden staan. De zwart geteerde roeiboten hadden allemaal een wit geschilderd merkteken aan beide kanten op de boeg die begon met de letters BAR, de eerste drie letters van gemeentenaam Barradeel gevolgd door één of twee cijfers.

Kustvisserij
De kustvisserij, op voornamelijk haring, is nooit echt een grote bron van inkomsten geweest, maar het was wel een vrij beroep waar de Sédyksters zich goed bij voelden. Met de aanleg van de Afsluitdijk, waarvan het laatste stuk in 1932 werd gedicht, is de teloorgang van de kustvisserij begonnen en zo langzamerhand verdwenen de fuiken en de zwart geteerde vissersboten uit het zichtveld. Begin jaren zeventig van de vorige eeuw verdwenen ook de woningen en daarmee ook de Sédykster leefgemeenschap.

Wat eerst begon als een aardigheid om eens te kijken of die woningen van vroeger langs de zeedijk ook in beeld konden worden gebracht, is uitgelopen op een serieus onderzoeksproject. Mede door de positieve reacties en de aanmoediging van het bestuur van de Oudheidkundige Vereniging Barradeel, is het de bedoeling dat het resultaat van het onderzoek in boekvorm wordt uitgegeven. Daarvoor moet er nog veel archief- en kadastraal onderzoek worden gedaan want het gaat er per slot van rekening om: wie waren die Sédyksters, waar hebben zij gewoond en hoe leefden zij aan de zeedijk?

Centraal Visserijregister
Om een beeld te krijgen van wie van de Sédyksters allemaal vissers waren, is het Centraal Visserijregister een mooie bron van informatie. Het register is een soort van burgerlijke stand van de zeevisserijschepen. Om te mogen vissen had je een vergunning nodig. Sinds 1911 moest een zeevisschip geregistreerd worden bij de visserijinspectie. Bij het doorzoeken van de het register kwam ik de registratiekaart van de BAR 30 tegen met als eigenaren Jac. Schotanus en Gerrit Herrema die beide als woonplaats Oosterbierum hebben. En dan vraag je je af wie waren deze twee vissers en is er meer over te vinden. Om daar achter te komen volgt een genealogisch onderzoek. De familie Herrema had ik al aardig in beeld dus wie die Gerrit Herrema moest zijn, was mij snel duidelijk. Als oud-Minnertsgaaster heb ik al eens een artikel geschreven over vier generaties Schotanus die mijn geboortedorp een kleermakerij hebben gehad, maar een Schotanus aan de zeedijk was ik nog niet eerder tegengekomen.

       Registratiekaart uit het Centraal Visserijregister (bron: Zuiderzeemuseum, Enkhuizen)

Jacob Schotanus en Beitske Houtsma
Na onderzoek blijkt het dat we te maken hebben met Jacob Schotanus die op 15 juni 1872 in Oosterbierum is geboren. Hij is het derde kind uit het huwelijk van Jakob Schotanus en Akke Pietersma. Jacob is 26 jaar als hij op 3 december 1898 in de gemeente Barradeel in de huwelijksboot stapt met de 23-jarige Sédykster Beitske Houtsma, een dochter van Sijbrand Hijltjes Houtsma en Antje Durks Schepels.

Langs de zeedijk wonen meerdere gezinnen Houtsma die zelf ook woningen in bezit hebben zo blijkt uit kadastraal- en notarieel onderzoek. Helaas heb ik (nog) niet kunnen ontdekken of Jacob en Beitske zelf ook woningeigenaar waren. Het lijkt er meer op dat zij een woning huurden van een van de Houtsma’s. De woningadministratie van vóór 1920 moet ik nog raadplegen en wellicht dat dan meer bekend wordt over het adres waar zij hebben gewoond onderaan de zeedijk. Maar het vermoeden is dat zij aan de zeedijk in de buurt van de huidige Fiskersleane woonden. Jacob zijn mede-eigenaar van de haringboot, Gerrit Herrema, woonde daar ook.

Om wat meer te weten te komen over Jacob en Beitske, kom ik via Google terecht op de website van de Schotanus-stichting. Daar tref ik een foto aan van Jacob Schotanus en zijn vrouw Beitske Houtsma. Een prachtige vondst want Jacob is gekleed in een visserstrui met een typische pet die ik op meerdere foto’s van haringvissers tegenkom, alleen die zijn minder duidelijk dan de foto van Jacob in vol ornaat.

Binnen het huwelijk van Jacob en Beitske worden elf kinderen geboren waarvan een kindje levenloos ter wereld komt. Twee kinderen met de voornaam Feike zijn op zeer jong leeftijd overleden. Jacob overleed op 11 maart 1924 in Leeuwarden aan een bloedvergiftiging nadat hij in een roestige spijker was gestapt [*]. Omdat de oudste dochter van Jacob en Beitske inmiddels getrouwd was en in Apeldoorn woonde met haar man Bauke van der Meulen, heeft zij haar moeder Beitske naar Apeldoorn toegehaald. Beitske is daar op 61-jarige leeftijd overleden. Maar in tussentijd had Antje bijna al haar zussen en broers naar Apeldoorn toegehaald, alleen Wapke bleef achter. Die was inmiddels getrouwd met de Oosterbierumer Oene Kolthof.

Haring- en palingvissers aan de kust met hun typische vissersboten

Beitske Houtsma

Jacob Schotanus

Met het verdere kadastrale onderzoek en het raadplegen van de woningadministratie van de gemeente zal waarschijnlijk het woonadres wel bekend worden waar Jacob en Beitske hebben gewoond. Wellicht komen we dan ook meer te weten of hun kinderen geboren Sédyksters zijn.

[*] Mededeling Soraya de Haan, achterkleinkind van Jacob Schotanus, via Facebook 13 augustus 2023.

Gerryt Bouma,

Dokkum, april 2024

 

Gerryt Bouma is onderzoeker naar de historie van Minnertsga en de vroegere bewoners. Hij publiceert daarover en is daarnaast beheerder van de website minnertsgavroeger.nl en medebeheerder van het dorpsarchief. Meer informatie op www.minnertsgavroeger.nl en de Facebookpagina Oud Barradeel.

Share This Post:

Leave A Comment